Om snel resultaat te boeken bij het veilig stellen van de welvaart in Nederland adviseert het Rapport Wennink dat het kabinet wordt ondersteund door een 'Commissaris Toekomstige Welvaart'. Daarbij is gekeken naar de rol van de deltacommissaris bij het klimaatbestendig en waterrobuust maken van Nederland.
Wim Kuijken werd in 2010 door het Kabinet-Balkenende IV benoemd als eerste deltacommissaris van het Deltaprogramma. Op basis van zijn ervaring deelt hij hoe een regeringscommissaris voor forse versnelling kan zorgen.

“Sommige vraagstukken in Nederland zijn relatief apolitiek. Water is daar een goed voorbeeld van. Als je niks doet, dan overstroomt ons land en dat wil niemand. Eigenlijk is dat met de toekomst van onze economie hetzelfde; iedereen wil dat we onze welvaart in stand houden. Het is een onderwerp dat niet gedurende één, maar heel veel kabinetsperiodes aandacht zal behoeven. Je hebt een lange adem nodig. Doelen dienen over de lange termijn geformuleerd te worden. Op dat vlak zijn er dus veel gelijkenissen tussen een regeringscommissaris voor waterveiligheid en klimaatbestendigheid en een regeringscommissaris voor welvaart en toekomstbestendigheid.
Net als bij het Deltaprogramma, zijn in het geval van de opgave rondom het behouden van de welvaartpositie van ons land, veel partijen betrokken. Niet alleen publiek, maar ook privaat. Deze partijen zijn zich ervan bewust dat zij deze opgave niet alleen kunnen oplossen. Dat was de essentie van de start van het deltacommissariaat. Uiteraard kun je het Deltaprogramma en het werk van de deltacommissaris niet één op één vertalen, maar de analogie daarvan kun je wel heel goed toepassen op de uitvoering van het Rapport Wennink. De kracht zit hem erin dat dingen van de grond kunnen komen, die anders niet van de grond komen.”
“Het idee is dat de regeringscommissaris regelmatig zijn of haar plannen en adviezen voorlegt aan de politiek zodat zij daarover kunnen besluiten. Vervolgens werkt de regeringscommissaris ze weer uit in maatregelen en rapporteert daarover aan de hand van een soort rolling agenda. Het is belangrijk dat de betrokken community zich daarbij echt als een soort ecosysteem gaat gedragen: we willen dit immers allemaal en weten dat we het niet alleen kunnen realiseren. De regeringscommissaris begeleidt hen daarbij. Het proces dat leidt tot besluitvorming wordt toevertrouwd aan iemand die dat namens ons allemaal doet en daarover ieder jaar rapporteert. Alles gebeurt in de openbaarheid en iedereen kan meedoen. Ik zou zeggen: omarm het, want zo’n regeringscommissaris krijgt tien keer meer voor elkaar dan de silo’s die er nu zijn. Doe je het niet, dan moet de minister van Economische Zaken het allemaal zelf gaan doen.”
“Alle maatregelen die vanuit het deltacommissariaat werden voorgesteld, waren wetenschappelijk inhoudelijk gecheckt en beoordeeld. Het waren dus geen meningen en ook geen voorkeuren. Het waren allemaal stevig onderbouwde maatregelen. Hetzelfde geldt voor de plannen die vermeld staan in het Rapport Wennink. Zo krijg je een ecosysteem en een community die de voorgelegde besluiten draagt en onder een koepel van een hoger doel meewerkt. Het is een soort ‘soft coordination’, maar wel gelegitimeerd met rugdekking. Die combinatie van bevoegdheden en geld is in de vorm van een fonds (het Deltafonds), dat is een krachtige constructie geweest. Met één wet, de Deltawet, bestaande uit drie artikelen. Ik had het van te voren niet verwacht, maar het kan. Bestuurskundige en vice-voorzitter van de Wetenschappelijke Raad voor het Regeringsbereid (WRR) Paul ’t Hart heeft het wel eens beschreven als ‘consensusarchitectuur’. Het past heel erg bij Nederland, maar is meer dan een poldermodel.”
“Zodra je iemand wil benoemen die over de grenzen van het rijksdomein, ook naar andere overheden en zeker naar de private sector, bevoegdheden krijgt, dan is het verstandig om dat wettelijk te verankeren. Ook al is het maar de dunste bevoegdheid, zoals toegang krijgen tot informatie. Dat staat bijvoorbeeld in de Deltawet; de commissaris heeft toegang tot alle bestuursorganen in Nederland en tot de informatie die nodig is om zijn of haar werk te doen. That’s it. Een wettelijke verankering helpt omdat het legitimeert. Daarnaast heb je toegang nodig tot een fonds zodat als je als commissaris voorstelt om bepaalde beslissingen te nemen, dat die financiering geborgd is en je niet vervolgens moet gaan collecteren bij iedereen. Dat werkt niet.”